
Architectuur
Heb je je wel eens afgevraagd wat de geschiedenis is van onze museumgebouwen? Hier vind je een helder overzicht van de belangrijkste ideeën, gebouwen en architecten. En hoe in de loop van de tijd nieuwe gebouwen en uitbreidingen ontstaan. Van de eerste plannen van Helene Kröller-Müller tot het museum en de beeldentuin van de toekomst. Ontdek hoe kunst, natuur en architectuur hier al meer dan honderd jaar samenkomen.
Helene Kröller-Müllers levenswerk
Het Kröller-Müller Museum is het levenswerk van Helene Kröller-Müller. Tussen 1907 en 1922 koopt zij samen met haar man Anton Kröller bijna 11.500 kunstwerken. Het is een van de grootste privécollecties van de twintigste eeuw. Helene droomt van een ‘museumhuis’, een plek waar ze haar liefde voor de kunst met iedereen kan delen. Haar droom wordt werkelijkheid als in 1938 het Kröller-Müller Museum opent. Latere museumdirecteuren breiden het museum uit met nieuwbouw en met een grote beeldentuin.

‘Museum Kröller’ aan het Lange Voorhout
Helenes eerste museum in Den Haag
Vanaf begin 1913 stelt Helene haar kunstverzameling al tentoon aan de Lange Voorhout in Den Haag. De collectie kon op afspraak worden bezichtigd. Als plaats voor haar gedroomde ‘museumhuis’ kiest zij in eerste instantie voor landgoed Ellenwoude in Wassenaar bij Den Haag. Dat koopt zij met haar man Anton Kröller in 1911. De Kröllers werken met architecten Peter Behrens en Ludwig Mies (die zich later Mies van der Rohe laat noemen), maar uiteindelijk kiest Helene op advies van H.P. Bremmer voor Berlage.
Lees meer over Helenes 'museumhuis' in Den Haag en Museum Kröller

H.P. Berlage, Ontwerp voor het museum bij de Franse berg, 1918
Berlage en Van de Velde op de Veluwe
Helene besluit ze dat ze haar museum toch liever op de Veluwe wil laten bouwen, midden in de natuur. Het moet groots worden. In 1918 presenteert Berlage zijn schetsen voor een gigantisch gebouw met woon- en tentoonstellingsruimtes. Als de verhouding tussen Helene en Berlage steeds stroever wordt gaat het ontwerp van tafel. De Belgische architect Henry van de Velde wordt Berlages opvolger. Zijn in het najaar van 1920 gepresenteerde plannen, ook voor een reusachtig museum, worden zeer enthousiast ontvangen. In 1921 begint de bouw. Al na een half jaar komt Müller & Co in zwaar weer en wordt de bouw stopgezet.
Het overgangsmuseum van Henry Van de Velde
Om de kunstcollectie veilig te stellen, wordt deze in 1928 ondergebracht in een stichting en daarna in 1935 geschonken aan de Nederlandse Staat. Aan Henry van de Velde wordt gevraagd een veel bescheidener museum te ontwerpen. Dit opent in 1938 zijn deuren onder grote nationale en internationale aandacht. Helene, die nog altijd droomt van haar ‘grote museum’, blijft hardnekkig spreken van het ‘overgangsmuseum’. Toch is het museum zoals ze zich dit wenste. Met kleine, intieme ruimtes en zacht bovenlicht. Een ‘museumhuis’ zoals ze het ook wel noemt, waar bezoekers dicht bij de kunst kunnen komen. Het gebouw is gemetseld en bijna helemaal gesloten, om zoveel mogelijk ruimte te hebben voor de vele schilderijen.

Het ‘Overgangsmuseum’ van Henry van de Velde
Uitbreiding met een beeldenzaal van Henry van de Velde
Na Helenes dood in 1939 en na afloop van de Tweede Wereldoorlog wordt Bram Hammacher de nieuwe directeur van het Kröller-Müller. Hij brengt beeldhouwkunst in het museum als tegenhanger voor de collectie schilderijen van Helene. Het museum wordt uitgebreid met een beeldenzaal en een aula, ook door Van de Velde ontworpen. Het wordt anders dan het besloten karakter van de rest van het gebouw. De beeldenzaal heeft glazen wanden waardoor je de bosrijke omgeving goed ziet.

Beeldenzaal, 1953

Opening beeldentuin, 3 juni 1961
Opening beeldentuin
Aansluitend op de bouw van de beeldenzaal komt er een plan voor een beeldentuin. In samenwerking met Hammacher ontwikkelt tuin- en landschapsarchitect Jan Bijhouwer een labyrintachtige beeldentuin, om te dwalen. Hier zijn natuur en beeldhouwkunst even belangrijk. Dat was voor die tijd een heel nieuw idee. In 1961 opent de beeldentuin met werken van onder anderen Auguste Rodin, Marta Pan en Henry Moore. Vanaf dat moment is het Kröller-Müller Museum een van de belangrijkste internationale musea voor moderne beeldhouwkunst.
Paviljoens in de beeldentuin
In mei 1964 bezoekt Gerrit Rietveld de beeldentuin om een plaats uit te zoeken voor een paviljoen. Hij ontwerpt het in 1955 voor de Internationale tentoonstelling in de open lucht SONSBEEK 55. Rietveld heeft de wens dat ‘het paviljoen geheel in zijn oorspronkelijke vorm zou worden herbouwd’. Een maand later overlijdt hij, maar zijn paviljoen wordt opnieuw opgebouwd in de beeldentuin. Onder de naam Rietveldpaviljoen wordt het wereldberoemd. In 2005-2006 wordt ook een paviljoen van architect Aldo van Eyck herbouwd in de beeldentuin. Dat ontwerpt hij voor de 5e Internationale beeldententoonstelling Sonsbeek ’66.
Meer info over de herbouw van het Rietveldpaviljoen en het Aldo van Eyckpaviljoen

Gerrit Rietveld, Rietveldpaviljoen, 1954-1955 (herbouwd in 1964-1965 en 2010)
Uitbreiding door Wim Quist
In de jaren zeventig wordt het museum uitgebreid met een nieuwe vleugel van de Nederlandse architect Wim Quist. Hij ontwerpt een transparant gebouw met een maximale wisselwerking tussen binnen en buiten. De uitbreiding staat tussen de beeldentuin en het museum van Van de Velde. Kenmerkend voor het gebouw zijn de lange strenge lijnen. Gangen met wanden van glas komen uit op ruime tentoonstellingszalen. In de uitbreiding worden de grote aankopen minimal en conceptual art, land art en arte povera ondergebracht. Quist laat zijn eigen gebouw en dat van Henry van de Velde harmonieus met elkaar versmelten.

Een museum van nu
Helenes ideaal was een museum voor internationale topkunst, midden in de natuur. Latere directeuren geven op hun eigen manier invulling aan dit ideaal. Het museum groeit zo mee met de eigen tijd. Kunst, natuur en architectuur komen hier samen. Het museum is daardoor uniek in Nederland en uitzonderlijk in de wereld. En het inspireert tot op de dag van vandaag.
Toekomst: ruimte voor de Kröller-Müller collectie
In 2018 is het Kröller-Müller Museum met de Japanse architect Tadao Ando gestart met het onderzoeken van de mogelijkheden om uit te breiden. Dit is geen doel op zich. Het is een noodzakelijke voorwaarde om de kwaliteit van de publieksbeleving en van alle voorzieningen in het museum op het gewenste niveau te brengen. De belangrijkste onderdelen van de uitbreiding zijn een nieuwe, in het oog springende entree. Met de allure en faciliteiten die bij een internationaal kunstmuseum passen. Hierin is meer ruimte voor de presentatie van de collectie en tijdelijke tentoonstellingen. Ook komen er nieuwe, goed ingerichte en gastvrije publieksvoorzieningen zoals restaurant en winkel.
Meer over het museum



